02 juni 2025

Componistenreeks #2: Dimitrie Cuclin (1885-1978)

Dimitrie Cuclin (1885-1978)

en het record van de langste symfonie aller tijden

Liefhebbers van grootschalige, lange symfonieën zullen ongetwijfeld al bekend met zijn die van Bruckner en Mahler. Sommige zullen misschien ook nog Havergal Brian kennen. Vanaf Sorabji wordt het moeilijker, maar de recordhouder op dit vlak is helemaal onbekend bij het grote publiek. De twaalfde symfonie van de Roemeense componist Dimitrie Cuclin duurt zes uur. Dat weten we alleen niet 100% zeker, want hij is nog nooit uitgevoerd.

Korte biografie

Dimitrie Cuclin
Dimitrie Cuclin werd op 5 april 1885 geboren in de Roemeense stad Galați. Zijn vader Constantin was muziekonderwijzer en kwam uit de plaats Cucleni. Deze plaats lijkt niet meer te bestaan, maar zou in de buurt van de Oekraïense stad Izmail gelegen hebben. In 1903 wilde Cuclin studeren aan het conservatorium van Boekarest, maar hij was te oud. Wel werd hij aangenomen op de Koninklijke Muziekacademie van Boekarest. Een paar jaar later vertrok hij naar Parijs, waar hij mocht studeren aan de Schola Cantorum van de Franse componist Vincent d'Indy. Gedurende de Eerste Wereldoorlog was hij violist in het orkest van Iași, en in 1919 werd hij docent aan het conservatorium van Boekarest, nota bene het instituut waar hij op zijn 18e werd afgewezen. Hij bleef daar werkzaam tot 1948, maar in de jaren '20 gaf hij les in New York.

In 1946 kwamen in Roemenië de communisten aan de macht, en Cuclin raakte al snel in de problemen. Op een gegeven moment werd hij veroordeeld tot het verrichten van dwangarbeid aan het Donau-Zwartezeekanaal. De reden daarvoor was dat hij een soiree had bijgewoond waar muziek van Bach werd uitgevoerd, en de organisatie van deze bijeenkomst werd als "reactionair" beschouwd. Maar korte tijd na het overlijden van Stalin gingen de communisten in Roemenië een iets andere koers varen en werd Cuclin enigszins "in ere hersteld". Ondanks dat werd hij niet toegelaten als lid van de Roemeense Academie, doordat hij een tegenstander had in Mihai Benuc, een dichter uit de Proletkoeltbeweging (socialistisch realisme). Gaandeweg raakte Cuclin steeds meer in een artistiek isolement en hij overleed in Boekarest op 7 februari 1978. Hij werd 92 jaar.


Muziek (een kleine selectie)

Symfonie nr. 9

Deze symfonie is een interessante, en met de 14e de enige die ook daadwerkelijk als partituur werd gepubliceerd. Met name de opnamegeschiedenis van deze 9e symfonie is merkwaardig. De enige opname van dit stuk is namelijk niet compleet. Aangezien de opname voor een radio-uitzending gemaakt is, vermoed ik dat de zender te weinig tijd had om het volledige werk ten gehore te brengen. Het resultaat hiervan is een opname van net geen 40 minuten, terwijl het hele stuk zeker het dubbele hiervan duurt.

Cuclin heeft de symfonie geschreven in cis-mineur. Om een idee te geven hoe deze toonsoort klinkt: bekende muziekstukken zoals Beethovens 14e pianosonate (Mondschein), Chopins Fantaisie-Impromptu en Liszts 2e Hongaarse Rapsodie zijn in deze toonsoort geschreven. Cuclins 6e t/m 9e symfonieën vormen een "pastorale" cyclus, gebaseerd op Roemeense volkswijsjes. De 9e symfonie is dus de laatste van deze reeks.

Cuclin schreef zijn symfonieën vaak in de volgende structuur: Actie - Reactie - Meditatie - Triomf van de Actie. Dat klinkt in eerste instantie nogal abstract, maar het heeft vooral te maken met het soort thema's dat hij schrijft en ook met het tempo. Zo is het derde deel (de meditatie) vrij langzaam gespeeld (Andante), en de andere drie delen liggen qua tempo juist iets hoger. De "actie" is vaak "Allegro", en de "reactie" vaak "Scherzo."


Symfonie nr. 11

Deze symfonie heeft Cuclin opgedragen aan Wolfgang Amadeus Mozart, en is bovendien de eerste van zijn symfonieën die op LP werd uitgebracht. Dat deed de platenmaatschappij Electrecord in 1967. In de jaren '60 was Roemenië nog een communistisch land, en Electrecord was de enige platenmaatschappij in heel Roemenië. Na deze symfonie brachten ze er nog twee uit: de 16e in 1972 en de 13e in 1984.

De 11e symfonie is in een vrij zeldzame toonsoort geschreven: as-mineur. Dit heeft niet per se te maken met hoe de toonsoort klinkt, maar hoe hij geschreven wordt. Hiervoor moet je namelijk weten dat as-mineur een "enharmonisch gelijke toonsoort" heeft: gis-mineur. Deze twee toonsoorten klinken hetzelfde, maar hebben andere voortekeningen. As-mineur heeft 7 mollen als voortekening, en gis-mineur heeft 5 kruisen. Vaak wordt dan voor het gemak de toonsoort gekozen met de minste voortekens in de partituur. In dit geval is dat gis-mineur, maar waarom koos Cuclin voor as-mineur? Door een gebrek aan academische literatuur is dit moeilijk te zeggen, maar voorlopig is mijn vermoeden dat hij van een specifieke toonladder alle verschillende toonsoorten wilde gebruiken.

Net als de 9e symfonie lijken er ook in deze symfonieën volkswijs-achtige melodieën te zijn verwerkt. Of deze opname een volledige weergave van het werk biedt heb ik niet kunnen achterhalen.



Symfonie nr. 12

Van deze symfonie is geen enkele opname beschikbaar. Ondanks dat hij nooit uitgevoerd is neemt hij wel een bijzondere plaats in Cuclins oeuvre in, evenals in het symfonisch repertoire. Dit zou namelijk - volgens de overlevering - de langste symfonie aller tijden zijn. Het hele stuk zou namelijk maar liefst 6 uur in beslag nemen. De partituur zou ook een omvangrijke zijn: maar liefst 1235 (!) pagina's. Behalve orkest komen er ook koor en solisten voor in het werk. Daarmee is het de derde symfonie van Cuclins hand met deze bezettingen. Hetzelfde schreef hij voor bij de 5e en 10e symfonieën, die beide ook erg lang moeten zijn. Omdat er op dit moment geen toegang lijkt te zijn tot de manuscripten van Cuclin en door een gebrek aan opnamen kunnen we slechts speculeren over de lengte van deze werken. De 5e (616 pagina's) zou rekenkundig 3 uur kunnen duren, en de 10e (880 pagina's), zo'n 4 uur. Lange zitten dus. Deze drie symfonieën vormen samen een trilogie van "oratoria in de vorm van symfonieën". Ik ga er dan ook vanuit dat de gezongen teksten Bijbelteksten zijn, waarschijnlijk uit de Roemeens-Orthodoxe traditie.

Er is alleen wel iets merkwaardigs aan de hand met de twaalfde symfonie. Hij zou dit werk geschreven hebben in 1951, maar sommige bronnen geven aan dat Cuclin in dit jaar dwangarbeid verrichtte aan het Donau-Zwartezeekanaal. Ik vind het moeilijk voor te stellen dat Cuclin in deze omstandigheden een gigantische symfonie zou kunnen schrijven. Misschien heeft hij in deze tijd wel de structuur van het werk ontwikkeld en kon hij na zijn vrijlating het hele werk schrijven? Een andere bron stelt echter dat hij in 1949 een paar maanden dwangarbeid heeft moeten verrichten, dus wellicht was hij eerder vrijgekomen waardoor hij toch deze werken kon schrijven? We weten het simpelweg niet. Ik denk echter niet dat deze symfonie slechts een mythe is (aangezien het aantal pagina's bekend is), dus hopelijk zullen we ooit nog eens dit werk in zijn geheel gaan horen. Want een dergelijk verhaal maakt wel erg nieuwsgierig.


Dit was het tweede deel van de componistenreeks. In het derde deel gaan we naar het Duitsland van de 18e eeuw, en kijken we naar een componist die tegenwoordig vrij onbekend is, maar wel een hele bekende achternaam heeft.

De bronnen die ik gebruikt heb zijn voornamelijk documenten die gepubliceerd zijn in het vakblad van de Roemeense Unie van Componisten. Hierin is met name Google Translate erg nuttig gebleken. Voor de beschrijving van de 9e symfonie heb ik het voorwoord uit de partituur gebruikt. Wikipedia was ook van belang door het grote gebrek aan academische literatuur over Cuclin.

01 april 2025

Componistenreeks #1: Guy Ropartz (1864-1955)

Guy Ropartz (1864-1955)

en de Keltische cultuur in Bretagne

Bij het grote publiek is de Franse componist Guy Ropartz vrij onbekend gebleven, maar voor de Keltische cultuur in Bretagne is hij wel heel belangrijk geweest. Doordat hij met kwalitatief hoogstaande muziek in een persoonlijke stijl zijn eigen regionale cultuur naar voren wist te brengen, verdient hij meer aandacht dan hij nu krijgt. De uitgesproken Bretonse thematiek maakt zijn werk bovendien uniek in zijn soort, en daarmee zeer interessant.

Korte biografie

Guy Ropartz (met karakteristieke baard)
Joseph-Guy Marie (Guy) Ropartz werd geboren op 15 juni 1864 in Guingamp, een plaats in het noordwesten van de Franse provincie Bretagne. Hij was de jongste uit een gezin met vier kinderen. In 1878 overleed zijn vader, en tien jaar later ook zijn moeder. In eerste instantie zou Ropartz schrijver worden (hij publiceerde drie dichtbundels toen hij midden twintig was), maar gaandeweg kreeg hij meer belangstelling voor muziek. Hij volgde lessen bij componisten als Théodore Dubois en César Franck, en van 1894 tot 1919 was Ropartz directeur van het conservatorium in Nancy, en van 1919 tot 1929 had zij deze functie in Straatsburg.

Als componist werd Ropartz gewaardeerd voor hoe hij zijn Bretonse identiteit verwerkte in zijn muziek. Ropartz zelf beschouwde zichzelf in de eerste plaats als Kelt. Hij schreef ooit dat hij woonde in het land "waar de aardmannen de veengrond bewonen en dansen rondom de menhirs in het maanlicht, waar de feeën en tovenaars (Viviane en Merlijn) regeren over de Brocéliande (het mythologische bos, red.), waar de zielen van de onbegraven doden geheel in het wit verschijnen boven de wateren van de baai van de doden." Het is zeer poëtisch uitgedrukt, en daardoor tekenend voor hoe sterk hij zich verbonden voelde met zijn cultuur. 

Ropartz overleed op 22 november 1955 op het landgoed van zijn familie in Lanloup, in Bretagne. Hij werd 91 jaar. Zijn vrouw, Cécile Chauvy (1868-1939) had hij overleefd en hij liet vijf kinderen achter. Hij had er in totaal zeven (twee waren op jeugdige leeftijd overleden), te weten:

  1. Gaud (1893-1983), bleef ongetrouwd
  2. Jehan (1894-1897)
  3. Yves (1895-1954), trouwde in 1932 met Georgette Berteloot (1897-?)
  4. Jacques (1896-1973) trouwde in 1932 met Anne Armau de Pouydragin (1904-?)
  5. Alain (1898-1965) trouwde in 1924 met Raymonde Lalleman (1901-1968)
  6. Monique (1900-1979), bleef ongetrouwd
  7. Guillemette (1901-circa 1915)

Drie van de kinderen kregen op hun beurt ook weer kinderen, waardoor er nog steeds nazaten van Guy Ropartz in leven zijn.

Muziek (een kleine selectie)

Le pays

Dit is de enige opera die Guy Ropartz geschreven heeft en het zou zomaar eens de opera met het kleinste aantal personages kunnen zijn. Er komen er namelijk slechts drie in voor: Tual (een Bretonse visser), Kaethe (een IJslands meisje) en haar vader Jörgen. Ropartz zocht naar een libretto waarin zo min mogelijk actie voorkwam, omdat hij de focus wilde leggen op het gevoel van nostalgie naar het Bretonse thuisland. Hij kwam uit op het korte verhaal "Het IJslandse meisje" van de Bretonse dichter en historicus Charles Le Goffic (1863-1932).

1e akte: De opera begint met het Prelude, waarin de belangrijkste muzikale thema's uit de opera worden geïntroduceerd. In dit geval zijn dat vier leidmotieven: de naargeestige klanken van de Hrafuaga, de liefde voor Kaethe, de volkswijs die op de Engelse hoorn gespeeld wordt om de nostalgie naar Bretagne uit te beelden, en een thema voor Jörgen en de onvoorwaardelijke liefde. Elk van deze thema's heeft dus een eigen melodie, om ze van elkaar te onderscheiden. Ze dienen daardoor ook als herkenningspunten voor de luisteraar. Daarna begint de eerste akte. De Bretonse visser Tual is na een schipbreuk gestrand in IJsland. Daarbij raakte hij gewond aan zijn been. Hij werd gevonden door de IJslandse Jörgen. Hij wordt naar zijn huis gebracht en daar verzorgd door Jörgen's dochter Kaethe. Al snel wordt Tual verliefd op Kaethe. De vonk slaat over en met de zegen van Jörgen trouwen de twee, door hun onvoorwaardelijke trouw aan elkaar te zweren op de Hrafuaga. Dit is de vallei van de kraaien, waarin een groot, gevaarlijk moeras ligt.

Landschap in IJsland
2e akte: Tual en Kaethe zijn inmiddels een half jaar samen. Tual is nog steeds visser en bouwt een nieuwe boot. Terwijl hij bezig is voelt hij een intense nostalgie naar zijn Bretonse thuisland. Hij denkt na over wat zijn thuissituatie was, hoe hij de zee trotseerde om naar IJsland te gaan, en wat ze in Bretagne zullen denken nu hij al zo lang van huis is. En zou Bretagne er nog uit zien zoals hij het zich herinnert? Dan komt Kaethe naar hem toe om te vertellen dat ze zwanger is. Tegelijkertijd ziet ze de eerste signalen dat Tual misschien toch weer begint te dromen van zijn thuisland. Kaethe denkt even dat Tual haar enigszins verwaarloost, maar hij maakt duidelijk dat dat zeker niet zo is en dat hij gewoon bij haar blijft, in IJsland.

3e akte: Er beginnen langzaam scheuren te ontstaan in het huwelijk van Kaethe en Tual. Kaethe heeft het gevoel dat Tual in zijn gedachten veel meer bij Bretagne is dan bij haar, maar hij wil er maar niet over vertellen. Ze krijgt steeds meer het gevoel dat Bretagne hem in haar greep houdt. Op een avond vertelt Kaethes vader dat er vissers uit Paimpol in de plaats Seidisfjord zijn. Daarvoor moet hij wel in de Hrafuaga het grote moeras oversteken. 's Nachts droomt Tual over Paimpol. Het is namelijk het dorp in Bretagne waar hij vandaan kwam (het bestaat overigens echt). Enigszins gehypnotiseerd door de droom stapt Tual op zijn paard en gaat naar de Hrafuaga. Kaethe heeft hem in de gaten en komt hem achterna. Van een afstandje ziet ze hem bezig zijn in het moeras, maar dan komt er een zwerm kraaien op hem af. Terwijl Tual de vogels van zich af probeert te schudden trekt het moeras open. Tual wordt erin opgezogen en sterft.

Daarmee komt de opera ten einde. Kaethe blijft dus alleen achter, en zal het kind alleen moeten gaan opvoeden. Letterlijk en figuurlijk een open einde. Het voelt misschien abrupt en iets anticlimactisch, maar zoals eerder gezegd: het belangrijkste thema van de opera was het uitbeelden van de nostalgie voor Bretagne. De opera is daardoor enigszins autobiografisch, want in de aanloop naar het schrijven van deze opera had Ropartz al een drukke carrière in de muziek, maar met grote regelmaat waren zijn gedachten "bij zijn verre Bretagne". Een stuk van Ropartz met vergelijkbare thematiek (de Bretonse vissersexpedities naar IJsland) is de instrumentale toneelmuziek voor Pêcheur d'Islande.

Symfonie nr. 1 "Sur un choral breton"

Ropartz schreef in totaal zes symfonieën (vijf genummerde en een 'petite symphonie'). De eerste symfonie is een werk waarin wederom zeer duidelijk de Bretonse cultuur naar voren komt. Hij schreef dit stuk in 1894/95, precies in een periode waarin regionale culturen steeds meer onder een vergrootglas kwamen te liggen in de kunsten. De bijnaam Sur un choral breton verwijst naar de melodieën waarop gezongen werd in de kerk. Een dergelijke melodie komt ook in deze symfonie voor, maar Ropartz stelt het geduld van de luisteraar enigszins op de proef omdat deze melodie pas in zijn geheel voorkomt in het derde deel. In de eerste twee delen komen namelijk slechts fragmenten voor van de melodie, en bovendien in andere vormen en toonhoogten. 

De kerk in Lanloup, Ropartz' woonplaats
Met name in de structuur van het eerste deel is de invloed van Ropartz' leermeester, de Belgisch/Franse componist César Franck te herkennen. Franck was één van de pioniers van de zogenaamde "cyclische" vorm, vergelijkbaar met het "idée fixe" van Hector Berlioz. Een vergelijkbare, verder uitgewerkte variant werd later het "leidmotief" van Richard Wagner. Cyclische vorm betekent dat in de muziek een thema geïntroduceerd wordt dat gedurende het stuk meerdere keren vormt, zij het in een andere vorm of toonsoort. Op deze manier vertoont ieder deel van het stuk een overeenkomst op muzikaal vlak. Dit helpt de luisteraar ook om een duidelijke structuur in de muziek te herkennen.

Naast de gehele Bretonse kerkmelodie komt er in het derde deel nog een andere opvallende melodie voor, en die is door het gehele deel te horen. Het klinkt als een traditionele Bretons volkswijsje, maar deze melodie is door Ropartz zelf geschreven. De verbondenheid van Ropartz  met de Bretonse cultuur was dus groot.

Symfonie nr. 3

Naast de eerste symfonie neemt ook de derde symfonie een opvallende plaats in binnen zijn oeuvre. Dit is namelijk de enige van zijn symfonieën waarin naast het orkest ook koor en solisten voorkomen. Ropartz vond deze symfonie overigens een van zijn belangrijkste composities. 

In 1898 begon Ropartz met het schrijven van de symfonie, en vanaf het begin had hij al het idee om er een koor in te verwerken. Zijn goede vriend, de componist Albéric Magnard (die in 1914 omkwam toen hij zijn huis wilde beschermen tegen oprukkende Duitse soldaten) zag het zelfs als een waardige opvolger van Beethovens mis in D. De symfonie bestaat uit drie delen, en de gezongen teksten zijn door Ropartz zelf geschreven. De drie delen hebben elk een eigen onderwerp. Zo gaat het eerste deel bijvoorbeeld over de schoonheid van de zonsopgang. Het tweede deel borduurt in eerste instantie voort op dit thema. Tussen de regels door proeft de luisteraar de twijfels en de haat in de mens, uitgebeeld door de metafoor dat "het zonlicht niet door het donkere hart van de mens heen komt." Het derde deel is de apotheose, waarin de schoonheid van de natuur terugkeert en bovendien een overwinning van de liefde wordt beschreven. Dit lijken allemaal grote en enigszins zware thema's, maar ze passen goed bij de tijd waarin het stuk geschreven is: de late romantiek.

Wat op muzikaal vlak nog opvalt aan dit werk is dat het tempo van de muziek vrij laag ligt in de gezongen gedeelten, terwijl de instrumentale gedeelten op hoger tempo gespeeld worden.

La chasse du Prince Arthur

Koning Arthur op jacht
Dit stuk werd door muziekcritici gedurende (en na) Ropartz' leven beschouwd als één van zijn mooiste werken. De componist Gustave Samazeuilh schreef dat geen enkele componist de Bretonse ziel zo wist te vangen en te illustreren zoals Ropartz dat deed. Met dit werk probeerde Ropartz de essentie van de Keltische culturen te vangen. Daarvoor koos hij een thema dat eigen varianten heeft in de Keltische culturen: de legende van koning Arthur en Camelot. In dit geval wilde Ropartz de muziek precies laten aansluiten op het gedicht "La chasse du Prince Arthur", van de Bretonse dichter Auguste Brizeux (1803-1858). Het stuk is opgedeeld in drie gedeelten, waarvan het tweede gedeelte met het meest opvalt. Dit begint halverwege het stuk, waarin voor het eerst de fanfare op de hoorns wordt geïntroduceerd, die het begin van de jacht aankondigt. Wederom een leidmotief eigenlijk.


En daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit eerste deel van mijn componistenreeks. In het volgende deel verruilen we de Keltische kusten van Frankrijk met het cultureel veelzijdige Roemenië. Daar was in de 20e eeuw een componist actief die een wereldrecord lijkt te hebben. Wie dat was, zien we dan. Wordt vervolgd!

De bronnen die ik heb gebruikt zijn voornamelijk CD-boekjes bij de betreffende muziekstukken, omdat er vrij weinig academisch materiaal beschikbaar is. Wikipedia is daardoor ook nuttig geweest, maar vooral ter vergelijking met wat er in de CD-boekjes geschreven was. Wat betreft de familie van Ropartz heb ik de stamboom van de Ropartz-familie gebruikt die op Geneanet te vinden is. Qua genoemde data heb ik het alleen bij jaren gehouden, want enige privacy moet er wel zijn omdat de nazaten nog leven.

Componistenreeks #2: Dimitrie Cuclin (1885-1978)

Dimitrie Cuclin (1885-1978) en het record van de langste symfonie aller tijden Liefhebbers van grootschalige, lange symfonieën zullen ongetw...